De
regenperiode is deze maand begonnen, hoewel de hoeveelheid regen tot nu toe gelukkig
meevalt. Nog steeds verblijven duizenden mensen in tentenkampen. Wat zijn dat
voor mensen en hoe (over)leven ze nu? Annet Nellen, een verpleegkundige die
eind januari naar Haïti werd uitgezonden, kwam tijdens een
bezoek aan één van de tentenkampen in contact met de
twintigjarige Johanna,
trotse moeder van een pasgeboren baby.
ZOA-Vluchtelingenzorg
startte na de verwoestende aardbeving op 12 januari in Haïti met hulpverlening.
Hiervoor werkt ZOA samen met partnerorganisatie Woord en Daad. ZOA heeft veel
ervaring in noodhulp en wederopbouw na rampen en conflicten en blijft tot de
zelfredzaamheid van een gebied is hersteld. De organisatie is met name actief
in Azië en Afrika. In de rubriek Verbeter de wereld doet ZOA de komende maanden
verslag van de wederopbouw in Haïti.
Annet: “Ik
bezocht Johanna in maart voor het eerst omdat ik hoorde dat ze geen
borstvoeding had voor haar baby en om melkpoeder had gevraagd. Melkpoeder is
echter uit den boze in deze situatie: er is weinig schoon drinkwater, de mensen
kunnen vaak niet lezen en weten de verhoudingen melk/water niet. Zo kan de baby
diarree krijgen en uitdrogen. Ook zijn de hygiënische omstandigheden – over het
algemeen al slecht in Haïti – in een kamp als dit nog slechter.
Als ik haar
kleine tentje van doeken en plastic zie, moet ik toch even slikken. Wat voor
toekomst hebben deze jonge vrouw en haar zoontje? Ze vertelt me een klein
stukje van haar verhaal. Ze is zwanger geworden uit een relatie die geen stand
hield. Johanna woonde in een klein stenen huisje en werkte als
hulponderwijzeres op een schooltje. De zwangerschap verliep moeizaam en ze werd
ontslagen. Daar zat ze: zwanger, zonder man en inkomen. Begin januari beviel ze
van een prachtig, gezond jongetje op wie ze meteen dol was. Hij kreeg de namen
Clerger Louverture. Maar het leven was zwaar omdat ze nauwelijks kon rondkomen.
Toen kwam
de aardbeving.
Johanna was
na de aardbeving zó gestrest dat ze geen borstvoeding meer had, daarom stapte ze
over op poedermelk voor de baby. Het was eigenlijk te duur. Van het geld voor
één blikje poedermelk kan ze zelf dagen eten.
Ik
onderzoek haar in de tent. Lichamelijk is er niet veel aan de hand, al is ze
wat ondervoed. Ik onderzoek ook de baby, die er gelukkig gezond uitziet. Hier
in het kamp kan ik hen niets geven, dat zou scheve verhoudingen opleveren met
de rest van de kampbewoners. Daarom vraag ik haar om de volgende dag naar het
kantoor te komen. Daar geef ik haar melkpoeder en leg uit hoe ze de melk moet klaarmaken, hoe ze de fles en de speen moet schoonhouden, en hoe ze kan zorgen
voor schoon water. Ze krijgt ook zeep, tandpasta, vitamines en wat te eten. Het
lijkt misschien een druppel op de gloeiende plaat, maar is het dat eigenlijk
wel?"
"Johanna
blijkt een zeer zelfstandige jonge vrouw, die weet wat ze wil. Toen ik haar in
de loop van maart en april beter leerde kennen, vertelde ze dat ze naast haar
werk op school ook psychologie studeerde. Door het verlies van haar baan moest ze
ook haar studie opgeven, waardoor ze zich nu erg verveelt. Toen ik haar tent
binnenkwam, was ze net een studieboek over psychologie aan het lezen, maar zonder
inkomen zal ze haar studie niet kunnen vervolgen.
Werk vinden
in Haïti is op dit moment erg moeilijk. Door de lage suikerrietprijzen op de
wereldmarkt is daarin niet veel werk meer te vinden. Bovendien komen veel mensen
die eerst in het suikerriet werkten nu naar de stad om werk te zoeken. Er zijn
grote groepen mensen aan het werk om de stad schoon te houden in cash for
work-programma’s.
Dat verdient ongeveer $ 4.50 per dag. Maar er zijn zo veel mensen op zoek naar
werk, dat het erg lastig is om in zo’n team te komen. Johanna is het nog niet
gelukt.
Baby
Clerger Louverture ligt tijdens mijn laatste bezoek lekker op een stukje
schuimplastic op een met laken bedekte plank. Hij ziet er goed uit. In de fles
die naast hem staat, zit iets wat verdacht veel op chocolademelk lijkt. En
inderdaad; in water oplosbare chocolademelkpoeder is goedkoper dan
babymelkpoeder. Johanna ziet het probleem niet, het is toch allebei melkpoeder?
Als je zelf
voldoende geld hebt, kun je je nauwelijks voorstellen welke keuzes deze moeder
moet maken. Natuurlijk wil ze het beste voor haar baby, maar geld heeft ze
nauwelijks. Ik heb haar wat geld gegeven, en daar gaat ze meteen babymelkpoeder
voor kopen.
De moeder
van Johanna woont vlak bij het kamp. Het huis bestaat uit één kamer, het bed staat
achter een gordijn. Dit huis is bijna niet beschadigd en is, op een paar
scheurtjes na, verder goedgekeurd. Toch heeft ook zij een tent in het kamp,
want zij en haar man zijn te bang om in een huis te slapen. Overdag wordt wel gekookt
en gewassen. Zij zijn alleen erg bang om in hun slaap door een
aardbeving overvallen te worden. Van dit gezin (er is ook nog een
stiefbroertje) is de moeder de enige die werkt, als hulp in een weeshuis.
Mijn
collega en ik willen Johanna in
staat te stellen een winkeltje op te zetten. Met het startkapitaal dat ze
krijgt, kan ze hopelijk genoeg verdienen om voor zichzelf en Clerger Louverture
te zorgen. Haïtiaanse vrouwen zijn erg goed in handelen en verdienen vaak meer
dan mannen. Het zal voor Johanna niet meevallen om elke dag geld voor haar bestaan
bij elkaar te schrapen, maar het is wel een manier om haar zelfstandigheid
terug te krijgen en, hopelijk, trots te zijn op wat ze bereikt in het leven.
Natuurlijk hopen we ook dat ze op deze manier iets kan sparen om haar studie
voort te zetten en later een goede baan te krijgen. Want slimme, sterke vrouwen
met een goede opleiding kan dit land zo goed gebruiken.
Tot zover
het verslag van Annet over Johanna en en haar baby Clerger Louverture. Een
aantal punten die in haar verhaal naar voren komen, zijn exemplarisch voor de
situatie van veel Haïtianen. De angst om in stenen gebouwen te verblijven, is
daar één van. Zoals Johanna’s moeder de voorkeur geeft aan een tent boven haar
eigen huis, zo wonen nog veel mensen in tenten. Die angst zal met de tijd
slijten, vertelt John Buijs, noodhulpcoördinator bij ZOA. Hij was ook betrokken
bij hulpverlening na andere grote aardbevingen, onder andere in Iran (2003) en
Pakistan (2005). “Je ziet na een half jaar dat mensen toch langzamerhand weer
in hun huizen gaan wonen.” Jos Joose, die zich in Haïti bezighoudt met
constructie, water en sanitatie, verwijst zulke angstige gezinnen door
naar
het medisch opvangteam om hen te helpen de stap over de drempel weer te
zetten. De
naschokken, die nog enkele weken bleven komen, maakten die angst er natuurlijk
niet minder op. Een aardbeving is zo verraderlijk; anders dan een storm, vuur
of menselijk geweld komt een beving onaangekondigd en kun je je er nauwelijks tegen
beschermen. Het
regenseizoen is inmiddels aangebroken. Er is door alle organisaties hard
gewerkt om in elk geval iedereen van tentzeilen te voorzien. Maar toch. Regen
op het tentzeil, waaronder een familie als een triest hoopje mensen bij elkaar
zit, het is een akelig gezicht. Positief is wel dat de opvang van dit regenwater
deels de schaarste aan drinkwater oplost.
Het dubbele
is dat het overgrote deel van de Haïtianen smachtend uitkeek naar de eerste
regens. Voor de landbouw en de vele groentetuintjes maakt voldoende regen een
wereld van verschil. In de overvolle kerken wordt zowel gebeden voor de
families in tenten, die zich tegen de regen moeten weren, als voor de families
die de regen zo hard nodig hebben.
Inmiddels
heeft ZOA haar doelgroepen redelijk in kaart gebracht met de hulp van
studenten die huis-aan-huisenquêtes hebben afgenomen. Gezinssamenstelling, de
schade aan het huis en andere noden zijn nu bekend. Hulp aan velen, zonder de
individuele personen uit het oog te verliezen, dat is de uitdaging waar we nu
voor staan. De volgende keer meer daarover.